Kenwood CMOS-320 Operation Manual - Page 52

Camera-instellingsprocedure, Beeldafstelling bovenaanzicht, centreren

Page 52 highlights

Camera instellen (uitsluitend CMOS-320) Camera-instellingsprocedure 1 Voer vooraf alle noodzakelijke aansluitingen uit. 2 Geef het videobeeld van de camera weer. Voor het weergeven van het camerabeeld raadpleegt u de gebruiksaanwijzing van uw videomonitor. 3 Houd de weergave- en de + toets van de schakeleenheid tegelijkertijd ingedrukt om de camera-instellingsmodus te activeren. 4 Selecteer eerst de positionering van de camera. Selecteer [Standard] (Standaard) als u de camera installeert op een hoogte van 50 cm tot 80 cm. Selecteer [Lower] (Onder) als u de camera installeert op een hoogte van 30 cm tot onder 50 cm. 6 Selecteer een camera-instelitem en stel het in. De volgende items zijn beschikbaar voor het instellen van de camera. 1. Beeldafstellingen bovenaanzicht (centreren, linker- en rechterhoek, hoek omhoog en omlaag) 2. Afstellingen begeleidingslijn groothoekbeeld (grootte, horizontale richting, positie-instelling rode lijn) Een item selecteren: Druk op de + of - toets om een item te selecteren en druk op de weergavetoets om de selectie in te voeren. Wanneer een item voor aanpassing geselecteerd is, verandert het kader van diens pictogram van blauw in geel. Het item aanpassen: Nadat een item is geselecteerd, drukt u op de + of - toets om het aan te passen en drukt u op de weergavetoets om de aangepaste waarde in te voeren. 7 Sluit de instelling af. Gebruik de + of - toets om een item te selecteren en druk op de weergavetoets om de selectie in te voeren. • Wanneer de camera als achteruitrijcamera wordt gebruikt, drukt u op [OK]. En ga dan naar stap 6. • Wanneer de camera als vooruitcamera wordt gebruikt, selecteert u [To Normal] (Naar normaal) en selecteert u vervolgens [OK]. En ga dan naar stap 5. • Door [Reset All] te selecteren, worden alle camerainstellingen teruggezet naar de standaardwaarden. 5 Stel de cameramontagepositie af met de knoppen + of - van de schakeleenheid. Beeldafstelling bovenaanzicht (centreren) Met dit item stelt u het midden van de inbouwpositie van de camera af. 1 Selecteer "OVERHEAD VIEW IMAGE ADJUSTMENT (CENTERING)". 2 Druk op de + of - toets van de schakeleenheid, tot de twee witte lijnen op de positie verschijnen die overeenkomt met de middenlijn van de auto. 52 | CMOS-320/CMOS-220 Afstelling is met twee stappen naar links of naar rechts mogelijk. Wanneer de afstelling in het huidige, beschikbare

  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
  • 11
  • 12
  • 13
  • 14
  • 15
  • 16
  • 17
  • 18
  • 19
  • 20
  • 21
  • 22
  • 23
  • 24
  • 25
  • 26
  • 27
  • 28
  • 29
  • 30
  • 31
  • 32
  • 33
  • 34
  • 35
  • 36
  • 37
  • 38
  • 39
  • 40
  • 41
  • 42
  • 43
  • 44
  • 45
  • 46
  • 47
  • 48
  • 49
  • 50
  • 51
  • 52
  • 53
  • 54
  • 55
  • 56
  • 57
  • 58
  • 59
  • 60

52
|
CMOS-320/CMOS-220
Camera-instellingsprocedure
1
Voer vooraf alle noodzakelijke aansluitingen uit.
2
Geef het videobeeld van de camera weer.
Voor het weergeven van het camerabeeld raadpleegt u de
gebruiksaanwijzing van uw videomonitor.
3
Houd de weergave- en de + toets van de
schakeleenheid tegelijkertijd ingedrukt om de
camera-instellingsmodus te activeren.
4
Selecteer eerst de positionering van de
camera.
Gebruik de + of - toets om een item te selecteren en druk op
de weergavetoets om de selectie in te voeren.
• Wanneer de camera als achteruitrijcamera wordt
gebruikt, drukt u op [OK]. En ga dan naar stap 6.
• Wanneer de camera als vooruitcamera wordt gebruikt,
selecteert u [To Normal] (Naar normaal) en selecteert
u vervolgens [OK]. En ga dan naar stap 5.
• Door [Reset All] te selecteren, worden alle camera-
instellingen teruggezet naar de standaardwaarden.
5
Stel de cameramontagepositie af met de
knoppen + of - van de schakeleenheid.
Selecteer [Standard] (Standaard) als u de camera installeert
op een hoogte van 50 cm tot 80 cm.
Selecteer [Lower] (Onder) als u de camera installeert op een
hoogte van 30 cm tot onder 50 cm.
6
Selecteer een camera-instelitem en stel het in.
De volgende items zijn beschikbaar voor het instellen van
de camera.
1. Beeldafstellingen bovenaanzicht
(centreren, linker- en rechterhoek, hoek omhoog en
omlaag)
2.
Afstellingen begeleidingslijn groothoekbeeld
(grootte, horizontale richting, positie-instelling rode lijn)
Een item selecteren:
Druk op de + of - toets om een item te selecteren en druk op
de weergavetoets om de selectie in te voeren. Wanneer een
item voor aanpassing geselecteerd is, verandert het kader
van diens pictogram van blauw in geel.
Het item aanpassen:
Nadat een item is geselecteerd, drukt u op de + of - toets
om het aan te passen en drukt u op de weergavetoets om de
aangepaste waarde in te voeren.
7
Sluit de instelling af.
Beeldafstelling bovenaanzicht
(centreren)
Met dit item stelt u het midden van de inbouwpositie van
de camera af.
1
Selecteer “OVERHEAD VIEW IMAGE ADJUSTMENT
(CENTERING)”.
2
Druk op de + of - toets van de schakeleenheid,
tot de twee witte lijnen op de positie
verschijnen die overeenkomt met de
middenlijn van de auto.
Afstelling is met twee stappen naar links of naar rechts
mogelijk. Wanneer de afstelling in het huidige, beschikbare
Camera instellen (uitsluitend CMOS-320)